In Nederland ontwikkelt één op de zestien pasgeborenen hyperbilirubinemie. Dit uit zich meestal in geelzien. Zonder behandeling kan dit leiden tot hersenschade (kernicterus). Fototherapie is dé methode om het bilirubinegehalte te verlagen. Steeds vaker wordt fototherapie ook thuis toegepast bij pasgeborenen die niet in het ziekenhuis hoeven te blijven. Het is daarom belangrijk om de effectiviteit van de fototherapie apparatuur goed te controleren.
Binnen de Nederlandse richtlijn voor hyperbilirubinemie wordt geadviseerd om fototherapielampen minstens één keer per jaar te testen. Deze richtlijn is gebaseerd op de Amerikaanse richtlijn, waar testen soms zelfs vaker gebeurt om de effectiviteit te waarborgen.
Voor thuisgebruik geldt dat je de apparatuur na ieder gebruik controleert. Aangezien deze het ziekenhuis verlaat, is het logisch om bij terugkomst direct een test uit te voeren.

De effectiviteit van een fototherapielamp meet je met een radiometer, zoals de Dale 40. Je volgt hierbij altijd de richtlijnen van de fabrikant. Die geven onder andere aan:
- De afstand tussen de lens van de radiometer en de lichtbron
- Het aantal meetpunten
- De grenswaarden waar de metingen aan moeten voldoen
Let goed op in welke eenheid je meet. Er zijn twee gangbare eenheden:
- µW/cm² (microwatt per vierkante centimeter)
- µW/cm²/nm (microwatt per vierkante centimeter per nanometer)
Als de fabrikant een andere eenheid gebruikt dan je radiometer, dan kun je deze omrekenen.
De golflengte van fototherapielicht is 460 nm. De Dale 40 heeft een bereik van 400 tot 480 nm. Binnen dit spectrum wordt de lichtintensiteit gemeten.
Je meet het meest betrouwbaar als je zowel de richtlijnen van de fabrikant als de algemene aanbevelingen volgt.