Alle functies op een patiëntmonitor worden in meer of mindere mate gebruikt. Van pasgeborene tot obese patiënt en van enkelvoudige SpO₂-meting tot een uitgebreid 12-leads ECG. Het is dan ook van belang om alle functies van de patiëntmonitor te controleren. Het type monitor bepaalt natuurlijk ook welke functies je wilt simuleren. Uitgangspunt is: controleer alle functies die het toestel in zich heeft.
Welke parameters zijn dan aan de orde? De volgende parameters komen vaak terug in patiëntmonitoren:
ECG, aritmie & respiratie

ECG, aritmie, respiratie & NIBP

ECG, aritmie, respiratie, NIBP, IBP & SpO₂

Verder sluit je soms ook zaken aan als:
- Temperatuur
- Foetaal/maternaal ECG
- Intra-uteriene druk
- Cardiac Output
Tijdens het simuleren is het handig als de parameters fysiologisch gesynchroniseerd zijn. Simuleer je een lage bloeddruk, dan volgen de andere relevante parameters dit automatisch. Ook is het goed als je alle parameters kunt simuleren van lage tot hoge waarden. De monitor kan vaak goed omgaan met standaardwaarden, maar het is juist interessant om ook extreme waarden te testen. Zeker bij het monitoren van vitale functies bij extreem prematuren of zeer obese patiënten.
Gebruik bij het simuleren altijd de juiste kabels en aansluitingen. Zorg dat de connectoren van het juiste merk en type zijn, zodat het signaal goed wordt overgebracht van simulator naar monitor.
In het volgende blog geven we vijf praktische tips bij het controleren van patiëntmonitoren.